bladzijde 139
édellieden en wèlke van boèren. De boer vond geen antwoord. De edelman zegde hem: — Wat zijt gij, boeren, toch ganzen; weet gij niet, dat de witte den edelman kenbaar maken en de zwarte en grove den boer? De boer en de edelman nu, wandelden verder, verlieten het kerkhof en bereikten de galgplaats, alwaar eenen menigte van witte knoken t'hoope geworpen waren. En de boer zegde, wijzend: — Heer, ge waart in uw recht, thans zie ik helder dat dat witte beenderen zuiver den edele luyden gehoorig zijn…
Beminde Parochianen, was dat niet loos gesproken van dien boer? En eender leep gelijk hij, hadt gij den duivel 't bosch in dienen te zenden. Maar ik, uw Pastoor, reken u zelfs meer dan leep
Dwázelingen, gij —, gij zijt wìjs! Ik, Pòncke, zal u dit bè-wijzen. Columella zegt bereids: De landbouw is de naaste gebuur der wijsbegeerte —, en Varro voegt eraan toe, dat de grondregels van den landbouw dezelfde zijn als deze der vier elementen. En heeft de romeinsche redenaar Cicero niet verklaard, dat er eene opmerkelijke overeenkomst bestaat tusschen den boer en den filosoof? Welnu? En, buitendien, zijt gij van adel, want het allereerste adellijk wapen is een ploeg geweest op een ploegbaar veld! Beminde Parochianen, ik heb u overstelpt met faam en loog ik ooit? Daarom keer weêr tot God en uwen priester. Zijt vroom gelijk vroeger. Zijt boer, wijs en nobel. Vergeet nimmer: de helsche vijand beloert u gestaag, zint op subtijl bedrog. Belach hem, vermits gij van God zijt. Dàn zult gij in vrede blijven in al uwe doeningen. En de Heilige Geest zal tòt u komen, mijne kinderen in Christo, en u vervùllen en in u héémen en in u hàndelen. En laat ons den Heer-God inniglijk bidden, opdat gij deze, mijne leering totterdood in het hart drage. Amen.
139